Bij de opstelling van het gemeentelijke warmteprogramma hoeven gemeenten niet na te denken over de uitvoeringsorganisatie die nodig is om de noodzakelijke energiebesparing te realiseren en gebieden daadwerkelijk aardgasvrij te maken. Het is, zoals dat heet, een strategisch beleidsinstrument, waarin de gemeente aangeeft welke gebieden ze de komende 10 jaar aardgasvrij wil maken en welke aanpak je hierbij hanteert. De keuze om niet na te hoeven denken over de uitvoeringsorganisatie betekent in de praktijk bij de ene gemeente dat er mooie plannen worden gemaakt, waarvan moet worden afgewacht of ze gerealiseerd worden. In veel andere gevallen blijven de plannen vaag, omdat gemeenten niet goed weten hoe ze moeten worden uitgevoerd. Zonder een effectieve lokale uitvoeringsorganisatie blijft het aanmodderen.
In een eerder stuk heb ik gewezen op de rol van bewoners. Het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving (OFL) heeft daar een mooi rapport over geschreven. De belangrijkste conclusies waren (1) dat het niet gaat om inspraak maar om de vraag wat bewoners nodig hebben om mee te werken aan deze verduurzaming, (2) dat de gemeente het niet alleen kan en dat er, net als bijvoorbeeld in de zorg, samenwerking nodig is met maatschappelijke initiatieven en (3) dat het huidige bestuurlijke, juridische en economische systeem rond woningverduurzaming hier onvoldoende op is ingericht.
Mijn conclusie is dat actieve bewoners een volwaardige rol moeten krijgen in de uitvoering en dat een effectieve lokale uitvoeringsorganisatie uit drie onderdelen moet bestaan:
- Een ambtelijke organisatie, die niet alleen beleid maakt, maar ook in toenemende mate gericht moet zijn op de uitvoering;
- Een praktisch gerichte organisatie voor en door bewoners, die zowel gemeentebreed als in buurten en dorpen actief is;
- Een publiek – lokaal of bovenlokaal – warmtebedrijf
Naast deze drie maatschappelijke organisaties is er uiteraard ook een belangrijke rol voor isolatie- en installatiebedrijven, energieadviseurs en bedrijven en organisaties die kunnen helpen met buurtgerichte activiteiten.
“Het is voor gemeenteambtenaren nodig om zelf praktisch aan de slag te gaan met de uitvoering en samen te werken met bewonersgroepen”
Een dergelijke uitvoeringsorganisatie is natuurlijk best ingewikkeld, maar ik zie geen alternatief. Alle drie onderdelen zijn nodig. Het goede nieuws is dat er in de praktijk grote overeenstemming bestaat over de belangrijkste doelen: isolatie van alle woningen, aardgasvrij in 2050 en veel meer zon op dak. Over de precieze uitwerking is veel discussie mogelijk, buurtgerichte bewonersgroepen zullen niet bij voorbaat akkoord zijn met plannen die in het gemeentehuis zijn bedacht. Maar deze consensus op hoofdlijnen is een waardevol vertrekpunt.
De bijdrage van bewonersgroepen bestaat in de praktijk uit de volgende onderdelen:
- Bevordering en ondersteuning van buurtgerichte initiatieven rond energiebesparing, aardgasvrij, zon en aanpak netcongestie;
- Realisatie van een netwerk van goed opgeleide energiecoaches, die bewoners op weg helpen met de verduurzaming van hun woning. Voor een effectieve bijdrage aan de aanpak van energiearmoede is voor deze doelgroep samenwerking nodig met organisaties in het sociale domein;
- Samen met de gemeente verzorgen van het energieloket, in de toekomst het energiehuis, waarbij inbreng van de gemeente primair is gericht op zakelijke informatie, terwijl de inbreng van de bewonersorganisatie gericht is op het bereiken van de middengroepen.
Dergelijke bewonersgroepen bestaan vooral uit vrijwilligers. Er is een professionele kern nodig, die met name is gericht op organisatie, communicatie en financiering. Zeker in (middel)grote gemeenten, waar nu al tientallen ambtenaren en adviseurs werkzaam zijn, moet deze capaciteit haalbaar zijn. In de praktijk bestaan in meerdere gemeenten, zoals Apeldoorn, Zutphen en Houten al dergelijke organisaties. Op de meeste plaatsen is nog een forse slag te maken.
Het belangrijkste wat gemeenten, om precies te zijn gemeenteambtenaren, moeten leren is om af te stappen van de rol als beleidsambtenaar en opdrachtgever aan uitvoerders. In plaats daarvan is het nodig om zelf ook praktisch aan de slag te gaan met de uitvoering en samen te werken met bewonersgroepen. Uiteindelijk is dat ook veel leuker.
In de meeste gemeenten is ook een warmtebedrijf nodig. Enkele gemeenten hebben er een. Meerdere gemeenten hebben een nieuw warmtebedrijf opgericht, de een samen met het netwerkbedrijf, de ander met een relatief klein warmtebedrijf als partner. Landelijk lopen er gesprekken over de warmtebedrijven van Eneco en Vattenfall om weeroverheidsbedrijf te worden. En daarnaast zijn er tientallen warmtecoöperaties bezig met de realisatie van een eigen warmtenet. Het is lastig om te voorspellen hoe zich dit allemaal gaat ontwikkelen. Ik ben er echter wel van overtuigd dat deze bedrijven er alleen in zullen slagen voldoende klanten te krijgen, met name bij woningeigenaren, als ze goed samenwerken met zowel de gemeente als met de toekomstige lokale bewonersorganisatie.