In België zijn de verantwoordelijkheden verdeeld over federatie en gewesten. De federatie gaat over kernenergie, wind op zee en de beleidsinzet in Europa, andere taken zijn of voor de gewesten, of ze worden gezamenlijk gedaan. Wat op Nederland lijkt is het enthousiasme voor kernenergie, na Belgische afschuw in de periode ervoor. In 2022 beschikte België nog over zeven kerncentrales, gevestigd op twee plaatsen (Doel dichtbij Zeeland en Tihange bij Luik). Daarvan zijn er nu vijf van het net gekoppeld. De vorige Belgische regering had wettelijk vastgelegd dat de andere twee - samen ruim 2 GW - in 2035 gesloten moesten zijn. Eén van de eerste daden van de huidige regering was dat in mei 2025 te herroepen en voor te stellen dat de resterende centrales tot 2045 open kunnen blijven; daarbij is de wens geuit er nog 2 GW bij te bouwen. Producent Engie wacht rustig af met welk financieel voorstel de regering komt en de regering overweegt ze zelfs over te nemen. Nu is de regeringswens wel begrijpelijk, want – netwerkbedrijf Elia voorziet een enorm verschil tussen vraag en aanbod van elektriciteit. Zelfs bij een elektriciteitsvraag die maar matig toeneemt, voorziet men voor 2040 een zeer fors tekort. Dat moet vooral uit Frankrijk en Nederland komen, want België exporteert enigszins naar het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Het tekort zal met blijvende kernenergie wat kleiner zijn, maar wordt vooral veroorzaakt door een vrij geringe toename van hernieuwbare elektriciteit.
“Het is wel een beetje begrijpelijk dat de groene lobby de Belgische regering verwijt meer met kernenergie dan met hernieuwbaar bezig te zijn”
Afgezien van wind op land gaat dat zowel bij de zon-PV en al helemaal bij de wind op zee trager dan in ons land. Voor 2030 is het doel een aandeel hernieuwbaar van 33%, naar verwachting wordt een ruime 20% gehaald. België heeft al vijf jaar dezelfde capaciteit wind op zee – 2,3 GW – en is traag met nieuwe tenders. De reden daarvoor is opmerkelijk: de vorige regering was met een tenderproces begonnen waarin verplicht onderdeel zou zijn dat burgercoöperaties deel zouden kunnen nemen. De huidige, conservatievere, minister heeft dat geschrapt en ook de ambitie om gelijk na te denken over een koppeling met het Verenigd Koninkrijk en Denemarken afgezwakt. Er resteert nu een kleinere aanbesteding voor een enkel park en daarna nog één, tot 2030. Echte ambities voor de periode daarna zijn er nauwelijks. Het is wel een beetje begrijpelijk dat de groene lobby de Belgische regering verwijt meer met kernenergie dan met hernieuwbaar bezig te zijn.
Dat betrekkelijke conservatisme is ook te merken in het klimaatbeleid. België heeft voor 2030 geen overkoepelende klimaatdoelstelling. Men beperkt zich tot de sectoren waarvoor het binnen Europa zelf verantwoordelijk is: dus wel een doelstelling voor de gebouwde omgeving, de landbouw en het transport en geen voor de zware industrie en elektriciteitsvoorziening die immers onder de Europese emissiehandel vallen. Het resultaat daarvan zie je in een vergelijking tussen de Belgische en Nederlandse emissiereductie in bijvoorbeeld de industrie. Die was in Nederland in 1990-2023 driemaal zo groot, terwijl de productie van de energie-intensieve industrie zich in de twee landen de laatste jaren ongeveer gelijk ontwikkelde. Er werd dus gewoon minder beleid gevoerd. Bedrijven die nadenken over emissiereductie in de twee landen bevestigen dat. Ook in de Europese discussies is België behoudender. De Belgische minister-president De Wever pleit bijvoorbeeld voor een forse versoepeling van de Europese emissiehandel, terwijl Nederland juist aandringt op standvastigheid.
“Het Vlaamse netbedrijf Fluvius wijst erop dat er veel problemen worden verwacht, maar dat dit in vergelijking met Nederland nog weinig voorstelt”
Toch moeten we niet denken dat alles hier beter is. België wijst juist met afgrijzen naar de Nederlandse netcongestie. Vlaanderen is hier het belangrijkst, het neemt twee-derde van het Belgische elektriciteitsverbruik voor zijn rekening. Het Vlaamse netbedrijf Fluvius wijst erop dat er veel problemen worden verwacht, maar dat dit in vergelijking met Nederland nog weinig voorstelt. In maart 2025 waren er 35 projecten in de wachtrij, in maart 2026 al 1250, maar dat is niet te vergelijken met de 14.000 in Nederland, stelt men. De aansluitingsproblemen leiden er ook nog niet tot afwijzing van netverzwaring, maar tot uitstel en overleg. Het gaat ook nog niet over de laagspanning, maar alleen over midden- en hoogspanning. Zonder onderzoek is het gissen waardoor deze verschillen worden veroorzaakt. Misschien maakt de Belgische burger – die in de beroemde culturele index van landenkenmerken van Geert Hofstede minder onafhankelijk is dan de Nederlandse en meer geneigd om onzekerheid te vermijden – minder snel bezwaar tegen uitbreidingen. Ook stijgt het elektriciteitsverbruik er weinig – maar dat is een betrekkelijk verschil, want tot en met 2024 groeide het in Nederland ook nauwelijks en in Vlaanderen stijgt het meer dan in Wallonië. Hier is vooral het verschil in het verwachte verbruik groot.
De Klimaat- en Energieverkenning verwacht dat het Nederlandse elektriciteitsverbruik in Nederland in 2024-2030 met bijna 30% zal stijgen, terwijl de Belgische netbeheerder Elia uitgaat van 10% over een wat langere periode. Bepalend zal vooral zijn hoe het de industrie vergaat. In beide landen wordt het energieverbruik hier vooral plaats in de chemie en daarin gaat het overal slecht, maar in België is er wel meer geïnvesteerd. Ook in de staalindustrie zijn er verschillen. ArcelorMittal heeft zijn toegezegde subsidie voor verduurzaming in Gent al teruggegeven, terwijl Nederland nog aan het onderhandelen is met Tata Steel.
De elektriciteitsprijzen voor grootverbruikers verschillen tussen de landen. Voor bedrijven die in basislast draaien maakt het niet zoveel uit, maar voor bedrijven die elektriciteit alleen overdag gebruiken (peak load) zijn de prijzen in Nederland door de nettarieven een derde hoger dan in Vlaanderen. Zowel Nederland als Vlaanderen geven een tegemoetkoming voor de hogere elektriciteitsprijs vanwege de CO2-kosten – de zogenaamde indirecte kostencompensatie. Een studie van SEO indiceert dat deze vergelijkbaar zijn. Als Nederland zou willen is er meer ruimte voor budgettaire ondersteuning: de overheidsschuld als deel van het BNP bedraagt in België meer dan het dubbele. Gasprijzen voor de industrie zijn in Vlaanderen lager, mede daarom stagneert de elektrificatie.
Kortom, ook België heeft het niet makkelijk in het energie- en industriebeleid. Bij kernenergie is men verder dan in Nederland, bij hernieuwbaar minder. De netcongestie is nog minder nijpend. De klimaatambities zijn beperkter. En de industriële toekomst is er even ongewis.